De psychologie van het leren: De leerprincipes II dl1

Tekst:  Marjolijn Kylstra, Showstal Penthesileia, foto’s door www.paardenshows.nl, Jan Smit www.dierenbeeldbank.nl, S. de Court en Paard & Spul

De vorige aflevering zijn we begonnen met de daadwerkelijke bespreking van de leerprincipes. We hebben hierin gesproken over het belang van het toepassen van de leerwetten. Ook de Wet van Effect is aan bod gekomen. Weten we het nog, zeer belangrijke deze leerwet; “Gedrag dat een positief gevoel opwekt zal sneller herhaald worden dan gedrag dat een neutraal gevoel teweeg brengt. Gedrag dat een negatief gevoel oplevert zal minder of helemaal niet meer vertoond worden”.  Niet vergeten deze stelling van Edward Thorndike. De leerprincipes zijn hier voor een groot deel op gebaseerd. Verder hebben we gezien dat de stemming van het paard van grote invloed is op zijn leervermogen en is er gesproken over de vier leer-fasen. Ook een korte beschrijving van de verschillende vormen van leren is toegevoegd. In deze aflevering gaan we in op de Klassieke Conditionering. Conditionering is, zoals in de vorige aflevering al vermeld, gewoon in vakjargon de term voor leren.

 

KLASSIEKE CONDITIONERING
Dit is een passieve manier van leren. Het dier hoeft er niets voor te doen, het overkomt hem gewoon, onafhankelijk van waar het dier op zo’n moment mee bezig is. Deze manier van leren wordt ook wel Pavloviaanse conditionering genoemd naar de ontdekker van deze vorm van leren: de Russische fysioloog Ivan Pavlov (1844-1936). Pavlov deed begin negentienhonderd onderzoek naar het spijsverteringsmechanisme en dan met name naar de speekselreflex bij honden. Hierbij werd o.a. de
hoeveelheid geproduceerd speeksel in de bekken van de honden gemeten tijdens het eten. Tot Pavlov’s verrassing begonnen de proefdieren na verloop van tijd al speeksel te produceren voordat ze hun voer kregen. De honden hadden de associatie gelegd tussen het geluid van de lepel waarmee het voer in hun voerbak werd geschept en het daadwerkelijk verkrijgen van het voer. Het geluid van de lepel zorgde er dus voor dat de honden al begonnen met het produceren van speeksel voordat ze het voer daadwerkelijk op konden eten. Pavlov begon na deze ontdekking hier verder mee te experimenteren.
Het bleek dat ook als er een bel afging kort voor het voeren, de honden na verloop van enkele herhalingen, alvast speeksel begonnen te produceren in afwachting van het voer.

Het maakte zelfs totaal niet uit wat voor geluid de honden te horen kregen mits dit geluid kort voor het voedselaanbod te horen was. Zelfs de binnenkomst van de persoon die de honden het voer gaf kon op die wijze deze reactie opwekken. Evenals het tonen van een tekening, een aanraking en zelfs de aparte ruimte waar de honden naar toe gebracht werden om gevoerd te worden, werd de oorzaak van extra speekselproductie. De honden begonnen ook na verloop van tijd onder deze omstandigheden te kwijlen als er helemaal geen voer meer gegeven werd. Dit gedrag bleef zelfs nog enige tijd in stand voordat deze reactie afnam.
De op zich neutrale prikkel, de bel of iets dergelijks, werd voor de honden een soort vervanger van het voedsel. Werden de honden namelijk direct losgelaten na het horen van de bel of een ander geluid producerend apparaat, dan liepen ze daar direct naar toe en begonnen er tegen te blaffen en te kwispelen. Sommige honden raakten met hun neus de bel ook aan en/of probeerden de bel op te eten. De honden gaven dus dezelfde reactie op een voorheen neutrale prikkel en het voedsel zelf. De honden waren in staat het verband te leggen tussen een bepaalde zintuiglijke prikkel en de direct daar opvolgende gebeurtenis. Ze associeerden beide gebeurtenissen dus. Daarom wordt Klassieke Conditionering ook wel associatief leren genoemd.

Pavlov ontdekte ook dat hoe hongeriger de honden waren des te sneller de associatie tussen de neutrale prikkel en het voer werd gelegd. Evenals het feit dat naarmate de tijd tussen de bel en het verkrijgen van het voer korter was, de associatie sneller plaatsvond. Het snelste leerresultaat werd bereikt als de zintuiglijke waarnemingen nog te horen, te zien of te voelen waren op het moment dat het voer werd uitgereikt.

Pavlov ontdekte tevens dat de associatie alleen optrad als de zintuiglijke waarneming plaatsvond voorafgaand aan het toedienen van het voer. Als de zintuiglijke waarneming pas tijdens het voeren of na het voeren te horen, te zien of te voelen was vond er geen associatie meer plaats. Onthoud dit goed, want hier krijgen we tijdens de opvoeding en de africhting van ons paard nog veel mee te maken.

Pavlov deed al deze experimenten met behulp van honden. Honden zijn van oorsprong jagende dieren en paarden vluchtdieren. Wat hebben wij als paardenliefhebbers dan aan al deze ontdekkingen? Heel veel! Of het nu gaat om honden of paarden of welk ander dier dan ook, het gaat om het vermogen tot associëren. Vertaald naar paarden kunnen we de bovenstaande ontdekkingen van Pavlov allemaal zelf meemaken tijdens het voeren. Zeker in grote stallen is dit proces goed waarneembaar.

Stel dat de deur van het voerhok kraakt, een voor paarden goed hoorbare zintuiglijke waarneming. Vrij direct nadat deze deur geopend wordt krijgen de paarden hun voer. Na een paar voerbeurten leggen de paarden het verband tussen de piepende deur en het verkrijgen van hun voer. Dat dit associatieve leren heeft plaatsgevonden is meestal goed zichtbaar, omdat dit al snel leidt tot voedsel gerelativeerd paardengedrag. Waar dit bij Pavlov’s honden zichtbaar werd door overmatig kwijlen, uit zich dit bij paarden vooral door onrustig gedrag in afwachting van hun voer. Het ene paard zal gaan hinniken, de ander draait rondjes door de stal, weer een ander draait rondjes om zijn as, de volgende trapt met zijn voorbenen tegen de deur en weer een ander zet zijn tanden op de rand van de voerbak. Dit alles al naar gelang het karakter en de lichamelijke mogelijkheden van het desbetreffende dier. Hoe hongeriger de paarden, des te sneller zal de associatie optreden. De paarden die dicht bij de piepende deur gestald zijn zullen de associatie ook eerder leggen dan de paarden aan het eind van de rij. Immers, naar Pavlov’s ontdekking, hoe korter de tijd tussen de zintuiglijke waarneming, in dit geval de piepende deur, en het verkrijgen van het voer, des te sneller het paard het verband legt tussen deze beide gebeurtenissen. Een paard achter in de rij zal er daarom langer over doen om het verband tussen deze twee gebeurtenissen te leggen dan een paard dat direct naast het voerhok gestald is. Dat wil overigens niet zeggen dat dit ook altijd duidelijk zichtbaar is.
In de praktijk gaat dit principe namelijk niet helemaal op. Het paard aan het eind van de rij zal waarschijnlijk, voordat hij het verband legt tussen de piepende deur en zijn eten, het gedrag van de andere paarden in de rij overnemen en aan de algemene opwinding deelnemen. Dit gebeurt dan onafhankelijk van het feit of hij nu wel of niet weet waar die opwinding van zijn soortgenoten precies mee te maken heeft.

Klassieke Conditionering hebben wij aan Pavlov en zijn kwijlende honden te danken

 

In het geval dat er alleen in de allerlaatste box van een stallenrij een paard staat, dus ver weg van het voerhok, dan zal er zeker meer tijd verlopen tussen de associatie van de piepende deur en het verkrijgen van voedsel. Dus ook paarden leggen associaties met iets dat eigenlijk normaliter helemaal geen betekenis voor hen heeft. Zou niet de deur van het voerhok piepen maar die van de zadelkamer, dan zal er geen associatie plaatsvinden met het voer en zal er ook geen voedsel gerelativeerd gedrag optreden. Een op zich neutrale gebeurtenis wordt in vakjargon “een stimulus” genoemd. Deze stimulus is pas van belang voor het dier als er iets op volgt dat invloed op hem heeft. Des te belangrijker dat wat volgt voor dat dier is, des te sneller de associatie met de stimulus volgt. Zodra het dier geleerd heeft deze stimulus te associëren met iets anders, zoals bijvoorbeeld voedsel, dan wordt de neutrale stimulus een geconditioneerde stimulus genoemd. Er is namelijk wat geleerd door het dier, het verband tussen de piepende deur en het voedsel. De tweede gebeurtenis, het verkrijgen van voedsel, wordt in het psychologisch vakjargon de ongeconditioneerde stimulus genoemd. Dit omdat het dier zijn voer sowieso krijgt, onafhankelijk van zijn gedrag. De reactie die het dier vertoont na deze twee gebeurtenissen wordt dan weer de ongeconditioneerde respons genoemd. Als het dier eenmaal de associatie gelegd heeft tussen de beide gebeurtenissen, dan wordt de ongeconditioneerde respons de geconditioneerde respons genoemd.. Conditioneren betekent leren, weten we nog. Ongeconditioneerd betekent dus dat het gedrag nog niet aangeleerd is. Deze vaktaal was even voor de liefhebbers. Om deze artikelen leesbaar te houden wordt de vaktaal verder, waar mogelijk, zo veel mogelijk vermeden.
Het voorbeeld van de piepende deur en het voeren van de paarden is eigenlijk geen gewenste associatie. Ik mag aannemen dat niemand paarden wil die de tent afbreken in afwachting van het voer. Het oplossen van zo’n probleem is echter nog niet zo eenvoudig. Het smeren van de piepende deur mag de paarden misschien even om de tuin leiden, maar zeker niet voor lang. Zoals we gezien hebben bij Pavlov’s honden kan ook de persoon die de paarden altijd voert al tot een associatie leiden. Zowel het zicht op deze persoon als het alleen al horen hiervan, via de stem of het ritme en geluid van de voetstappen, kan de reactie al oproepen. Hoe krijg je dan rust in de stal? De enige methode die tot een oplossing leidt is het verbreken van de associatie tussen welke oorzaak dan ook en het voeren. Vaak is de eerste persoon die ’s morgens op stal komt ook degene die voert. Ook die associatie wordt door paarden snel gelegd. Dus bij aankomst eerst een aantal andere dingen gaan doen en zeker niet direct gaan voeren. Open en sluit de in de tussentijd geoliede deur zo vaak mogelijk zonder te voeren. Laat de deur voor je werkelijk gaat voeren zeker een kwartier openstaan en loop in de tussentijd een aantal keren in en uit. Zorg dat er niets is wat tot een associatie kan leiden. Pas als alle paarden hun voedsel gerelativeerde kunsten hebben opgegeven, en alles dus weer rustig is, kun je gaan voeren. Geef je paarden die nog steeds onrustig gedrag vertonen namelijk toch hun voer dan beloon je dit vervelende gedrag. Dit omdat de Wet van Effect dan in werking treedt: “gedrag dat een positief gevoel opwekt zal vaker herhaald worden. Gedrag dat …..” enz. Dit moeten we dus te allen tijde zien te voorkomen. De rust erin houden zal niet altijd meevallen, want zodra het eerste paard zijn voer krijgt zal de rest van de paarden, mede uit gewoonte, hier weer op reageren. Het hele probleem is echter te voorkomen als je denkt aan een andere constatering van Pavlov. Een hongerig dier leert sneller te associëren dan een niet hongerig dier. En wat zorgt ervoor dat een paard niet hongerig is voor het verkrijgen van zijn krachtvoer? Juist, ruwvoer. Indien het paard de hele dag door de beschikking heeft over ruwvoer zal het, uitzonderingen daar gelaten, nooit echt hongerig zijn. Het krachtvoer is dan lang niet meer zo belangrijk voor het paard. Het heeft immers geen honger meer. Waarom zou hij zich er dan zo druk over maken. Uit gewoonte kan het nog wel even duren voordat alle paarden hun rust bewaren in afwachting van hun krachtvoer. Uiteindelijk zal echter ook de grootste druktemaker tot rust komen als hij zijn krachtvoer pas krijgt als hij zich rustig gedraagt.

Tijdens de clinics die we geven is er altijd wel iemand onder de deelnemers die tijdens de bespreking van de Klassieke Conditionering over een tijdgeschakeld automatisch voersysteem begint.

Op deze manier krijgen alle paarden op een bepaald tijdstip tegelijkertijd hun voer in de voerbak. Het tijdstip van het voeren wordt vooraf geprogrammeerd. Hierdoor zou de rust in de stal voorafgaand aan het voeren bewaard blijven. Er is dan immers niets dat de paarden vooraf kunnen waarnemen, waardoor de associatie met het voer uitblijft. Maar helaas, ook dit systeem is gevoelig voor het leggen van verbanden. In dit geval met de tijd. Paarden hebben een uitmuntende inwendige klok. Vindt de krachtvoer afgifte via zo’n systeem telkens op dezelfde tijdstippen plaats, dan zal het paard het verband gaan leggen tussen het uur van de dag en het voeren. Alleen als elke dag de voertijden anders worden ingesteld zal het de paarden moeilijk vallen om de associatie te maken.

Uiteindelijk is het constant ter beschikking hebben van ruwvoer de beste oplossing en eveneens de meest natuurlijke en gezondste.

 

Lees volgende maand…in de leerprincipes II deel 2
Meer over: Het blokkade fenomeen. Het eerder blootstellings-effect. Voorbereidheid. Positieve associaties versus negatieve associaties. Een niet alledaags voorbeeld uit de praktijk.

Gerelateerde berichten:

  • Geen gerelateerde berichten